Aanvraag uitbreiding parkeerrestrictiegebied (29 november 2007)

Aan: ·Burgemeester en wethouders gemeente Leiden

              T.a.v. de afdeling Verkeer en Vervoer de heer Jan Smit

              De Gemeenteraad van Leiden

              Postbus 9100

              2300 PC Leiden

             

 

Datum: 29 november 2007              Ons nummer:       HNPK20071129-01 Uw nummer:        Uw brief d.d.

 

 

Betreft    : Aanvraag uitbreiding parkeerrestrictiegebied

 

 

Hierbij vragen wij uw aandacht voor het volgende:

 

De verkeersoverlast in Transvaal I overschrijdt al jarenlang alle wettelijke en maatschappelijke normen die zijn gesteld aan een goede en gezonde woonomgeving.

Uitlaatgassen, fijnstof en geluidoverlast zijn een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de bewoners. Ook zijn de woningen onbereikbaar door parkeeroverlast en files. Brandweer en gemeentelijke diensten zijn niet meer in staat zonder grote vertragingen de wijk te bereiken.

De overlast is nu zo ernstig dat de leefbaarheid in het geding is, waardoor er een onverantwoorde en onhoudbare situatie is ontstaan.  Herhaaldelijk heeft de WTL er bij het gemeentebestuur  aangedrongen om op korte- als op langere termijn maatregelen te nemen om Transvaal I weer leefbaar te maken. Ondanks toezeggingen van de verantwoordelijke wethouder,  meer dan een jaar geleden, om op korte termijn enige verbeteringen te realiseren, is er tot op heden niets gebeurd.  

In het Vervoer- en Verkeersplan zijn globale beleidsuitgangspunten geformuleerd, die op de lange termijn tot verbetering  van de situatie moeten leiden. Echter er is geen tijd meer voor afwachten en uitstel. Nu zijn maatregelen nodig om de wijk weer enigszins leefbaar te maken.

 

Een maatregel, die op korte termijn kan worden gerealiseerd en die direct tot een grote verbetering zal leiden is de uitbreiding van het huidige parkeerrestrictiegebied.

 

In uw brief van 13 december 2006 met als kenmerk DIV-2006-15812 stelt u dat hiervoor een burgerinitiatief nodig is dat gesteund wordt door tenminste 10 bewoners. Deze lijst treft u dan ook als bijlage aan. Het betreft een aanvraag voor de Paul Krügerstraat alwaar alle bewoners die de lijst hebben getekend wonen.

 

De Wijkvereniging Transvaal Leiden heeft besloten met de aanvraag voor uitbreiding van het restrictiegebied op straatniveau te beginnen en niet op wijkniveau. Zo worden de grootste knelpunten opgelost en hoeven die straten waar de problemen minder groot zijn niet mee te doen. Maar voorlopig gaan wij ervan uit, gezien het grote aantal voorstanders, dat het gebied waarvoor een parkeervergunning vereist is zich als een inktvlek zal uitbreiden.

 

Wij stellen voor een regeling voor deeltijdparkeren in te stellen en wel van 10:00 tot 15:00 op iedere werkdag. Hiervoor is men bereid een bedrag van € 10,- per kwartaal te betalen, een bedrag dat tijdens de ateliers reeds meerdere malen is genoemd door wethouder J. Steegh. Voor dit bedrag kan er volgens ons voldoende gehandhaafd worden en blijven de kosten binnen de perken.

 

Samenvatting:

 

– Uitbreiding parkeerrestrictiegebied naar Transvaal

– Bewonersvergunningen voor € 10,- per kwartaal

– Parkeerverbod van 10:00-15:00 uur iedere werkdag

– 1e straat waar restrictie geldt is de Paul Krügerstraat.  Vervolgens kan uitgebreid worden           naar geheel Transvaal I en eventueel Transvaal II en III maar alleen op initiatief van de   bewoners.

 

 

Wij gaan ervan uit dat het bovenstaande snel gerealiseerd zal worden.

 

Namens het bestuur van de Wijkvereniging Transvaal Leiden,

 

Hoogachtend,

 

JWM Nieuwint,  secretaris

 

 

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail

Aantekeningen gesprek met B&W Leiden op (14 januari 2008)

Naar aanleiding van het gesprek tussen B&W Leiden en de Wijkvereniging Transvaal Leiden (WTL) op 14 januari 2008.

 

 

Op 14 januari 2008 is er een gesprek geweest tussen de gemeente Leiden en de WTL. Onderwerp van het gesprek was de toekomst van Transvaal. Het gesprek vond plaats op initiatief van de gemeente. Van de gemeente waren aanwezig burgemeester Lenferink en wethouder Steegh, van de WTL waren aanwezig Grijpink (vice voorzitter), Nieuwint (secretaris) en Bootsma (voorzitter). 
De WTL had zich ingesteld op een constructief gesprek waarbij over en weer elkaars meningen uitgewisseld zouden worden. Van een discussie was echter geen sprake. De gemeente dicteerde aan de WTL de plannen, waar al min of meer over besloten was. Daarbij werd aangegeven welke punten nog open staan voor nadere bestudering. Ruimte voor het inbrengen van eigen ideeën was er niet.

 

 

Het voordeel van deze wijze van communiceren is dat we als bewoners van Transvaal precies weten waar we staan, wat ons mogelijk nog te wachten staat en dat we niet hoeven rekenen op veel inspraak.

 

Zodra het gesprek inhoudelijk dreigde te worden, werd de discussie afgekapt en werd er verwezen naar de nog te organiseren zogenaamde ateliers. De bewoners moeten er maar op vertrouwen dat ze in deze ateliers voldoende gehoor vinden. Mijn eerdere ervaring met deze ateliers was niet erg positief. Velen doen daar hun best hun mening naar voren te brengen maar in de conclusies van de gemeente achteraf herkende ik de discussie niet of nauwelijks. De gemeente geeft zo wel de gelegenheid tot inspraak, dat wel.

 

Ook de vooringenomen standpunten van de gemeente dragen niet bij tot een groot vertrouwen in deze ateliers. Zo zijn er vijf opties voor een verbindingsweg tussen de Plesmanlaan en de dr. Lelylaan, waarvan de gemeente er al twee op voorhand afwijst. Vooral de optie langs de Haagweg was om onduidelijke redenen niet bespreekbaar.

De bestaande mogelijkheid via de Plesmanlaan, Haagseschouwweg en dr Lelylaan vindt de gemeente te ver omrijden en vervalt daarmee als optie voor de ringweg.

 

Blijven er drie opties open.

  1. Langs het belastingkantoor, langs het spoor dwars door Transvaal I, II en III;
  2. Om de Vijverlokatie heen langs het spoor over de P.C.Hoofdlaan en de Morslaan;
  3. Om de Vijverlokatie heen langs het spoor over de P.C.Hoofdlaan onder het viaduct Lage Morsweg door het spoor verder volgend door Transvaal III.

 

Hierover mag worden gesproken. Iets anders is niet aan de orde.

Tijdens het gesprek is door de WTL geprobeerd aan de orde te stellen of deze verbindingsweg tussen de Plesmanlaan en de dr. Lelylaan ook inderdaad nodig is. Volgens de gemeente is al besloten dat de zogenaamde binnenring om de stad hoe dan ook gesloten moet worden. Gegeven is de tunnel onder het station, de Willem de Zwijgerlaan, de Kanaalweg en de Churchilllaan. Twee stukjes ontbreken nog aan deze ring. De verbinding tussen de Kanaalweg en de Willem de Zwijgerlaan en de verbinding tussen de Plesmanlaan en de dr. Lelylaan. En deze twee stukken zullen er hoe dan ook komen.

 

Een onbegrijpelijk standpunt. Waarom moet er persé een binnenring zo dicht langs de binnenstad, door dichte bebouwing heen worden gewrongen, ondanks de vele nadelige consequenties voor zowel de Kooi als Mors/Transvaal?

Één ring om de stad van voldoende capaciteit, buiten de dichte en intensieve stadsbebouwing, zou een betere optie zijn en in ieder geval de leefbaarheid vergroten.

Na de ontwikkeling van het Valkenburgterrein, zal het woonwerkverkeer in deze regio toenemen. Het verkeer zal zijn weg zoeken over de bestaande wegen, dus ook deels over de binnenring. De verkeersintensiteit zal daardoor toenemen en daarmee ook de problemen.

 

De tunnel in de Schiphol weg is de planologische miskleun van de jaren 80. Deze tunnel trekt veel verkeer aan zonder dat er mogelijkheden zijn om dat verkeer af te wikkelen.

De gemeente verdedigd de aanleg van de tunnel door te beweren dat het verkeer dat nu door de tunnel gaat anders bovengronds over het stationsplein zou lopen. Een onjuiste veronderstelling.

Als er bij het volbouwen van de Leeuwenhoek en de renovatie van het LUMC terrein een goed verkeerscirculatieplan was geweest, had het doorgaande verkeer van het stationsplein afgeleid kunnen worden. Dan zou er ook meer ruimte zijn geweest voor bestemmend verkeer, zoals de bereikbaarheid van het station.

De locatie van de tunnel is verkeerstechnisch eveneens absurd. Een aansluiting op de doorgaande wegen Rijnsburgerweg en Schuttersveld was nauwelijks mogelijk. De haarspeldbocht oplossing die is bedacht kan op zijn zachts gezegd verkrampt genoemd worden.

Als door de aanleg van de tunnel het station goed bereikbaar zou zijn geworden, was er nog een argument geweest. Helaas, het station Leiden is één van de slechtst bereikbare stations van Nederland.

Het mooie rustieke zonnige stationsplein met flanerende mensen, fonteinen en bomen, die de Leidse bevolking was beloofd, blijkt een ongezellige kantorenwijk met onpersoonlijke woonbunkers. Op de grond is het een dumpplaats voor oude fietsen. Boven de grond een verwrongen berg ijzer van een mislukt architectonisch experiment, dat station genoemd wordt. Verder zijn er bussen op asfalt en regent het er bijna altijd. Voor je gevoel in ieder geval. Alleen een bovenmatige inspanning van onze handhavers heeft er toe geleid dat het station niet is verworden tot een verblijfplaats van junks en daklozen. Ook daar heeft de tunnel niet veel bijgedragen aan het welbevinden van de Leidse burger.

 

Die tunnel is er nu eenmaal. Heeft veel geld gekost en we moeten er wat mee. Natuurlijk kan deze tunnel een rol blijven vervullen in de afwikkeling van verkeersstromen. Volgens de gemeente komt de tunnel alleen tot zijn recht komt, als onderdeel van een ring om de binnenstad. Dat is een merkwaardige en verkrampte visie die ertoe leidt, dat een deel van de Kooi moet worden gesloopt en dat in de Mors en/of Transvaal rare capriolen moeten worden uitgehaald om deze verkeerswurggreep te kunnen sluiten.

 

Nu al loopt de gemeente aan tegen normen van fijnstof en geluidsoverlast. Deze normen worden, op het stukje Morsweg door Transvaal I, royaal overschreden. Dat wordt gedoogd. De gemeente stelt het belang van de doorgang van het verkeer boven het welzijn van de bewoners. De gemeente komt er mee weg omdat het tijdelijk is en omdat er al enige tijd maatregelen zijn beloofd ter verbetering van de situatie.

Vervolgens plant de gemeente een nieuw tracé waar deze normen wederom direct op alle fronten overschreden zullen worden. Is dit domheid of arrogantie? Merkwaardig is het in ieder geval.

 

Bij de verantwoordelijke bestuurders is het korte termijn geheugen slecht ontwikkeld. Immers de onverantwoordelijke situatie op dit stukje Morsweg is mede ontstaan door aanpassing van het kruispunt Haagweg, Rijnzichtbrug. Volgens de gemeente was dit kruispunt erg onveilig. Na het veilig maken van het kruispunt was de situatie zo onveilig geworden, dat het onverantwoord was de verkeerslichten te laten werken. De doorstroming was verstoord en de files op de Morsweg een feit.

 

Ondanks deze ervaringen plant de gemeente gewoon weer verkeersknelpunten in dicht bebouwde stadswijken, zoals de Kooi en de Mors/Transvaal.

Het wachten is op de volgende problemen.

 

Daarbij komt nog dat Steegh steeds roept dat het verkeer daarheen geleid moet worden waar het de minste overlast veroorzaakt. Een planning van een rondweg door de Kooi en de Mors/Transvaal strookt op geen enkele wijze met die visie. Wie het nog begrijpt mag het zeggen.

 

Een verbindingsweg tussen de dr. Lelylaan en de Plesmanlaan heeft geen zin. Daardoor zal het verkeersaanbod op de Churchilllaan toenemen en daarmee de stagnatie op het Lammenschansplein. Dit wordt zelfs door de gemeente erkend. Vandaar dat er pas sprake is van het aanleggen van de sluitstukken van de binnenring aan de oost- en de westkant van de stad, nadat de Rijnlandroute een feit is.

De gemeente is er van overtuigd dat na de realisatie van deze Rijnlandroute (de geplande weg ten zuidoosten van de Stevenshof) de verkeersdruk op de Churchilllaan sterk zal afnemen.

 

Merkwaardig is dat ondanks deze verwachting de gemeente vindt dat de brug in de dr. Lelylaan verbreed moet worden. Zeker geen goedkope ingreep, die bij de voorziene verkeersafname niet nodig zou zijn. Wat de gemeente zegt en wat de gemeente van plan is klopt niet met elkaar. Ik ga er van uit dat in de achterkamer de gemeente het met mij eens is, dat de verkeersbelasting ook na de aanleg van de Rijnlandroute zal toenemen. Dit mede door de aanzuigende werking van de binnenring.

 

De realisatie van de plannen kan nog even duren, omdat de realisatie van de Rijnlandroute als voorwaarde is gesteld voor de ontwikkeling van het Valkenburgterrein en de aanpassingen aan de verkeerscirculatie in en rond Leiden.

Echter deze Rijnlandroute blijkt bij de minister van Verkeer en Waterstaat weinig prioriteit te hebben. De aanleg van deze weg komt zelfs nog niet voor op de meerjarenplanning van V&W. Het gaat dus nog jaren duren.

Wel wil de gemeente de tracés voor de sluiting van de binnenring nog dit jaar hebben vastgesteld. Waarom die haast?

 

Deze lange termijn geeft hoop voor de toekomst. Ooit wilde een voortvarend gemeentebestuur de Rijn en Schiekade dempen voor de aanleg van een ringweg. Ook een voor Leiden rampzalig besluit waar men godzijdank later op terug is gekomen.

 

Wat wel op korte termijn zal worden gerealiseerd is een parkeervoorziening aan het begin van de Morsweg, pal tegenover de Morspoort. De gemeente probeert het terrein van de Marechaussee daarvoor te verwerven. Lukt dat niet dan is het huidige parkeerterreintje de enige locatie die volgens de gemeente in aanmerking komt. Het aantal parkeerplaatsen zou dan worden teruggebracht tot 500.

De aanleg van deze parkeergarage en de parkeergarage aan de Haagweg is een punt uit het huidige collegeakkoord en zal dus in de komende twee jaar moeten zijn gerealiseerd.

 

De WTL heeft hierover twee zorgen.

Op de eerste plaats is de ontwikkeling van deze parkeergarage geen onderdeel meer van het grote verkeers- en vervoerplan. Het is daarmee een op zich zelf staand object geworden dat schijnbaar nergens verband mee heeft. Paniekvoetbal dus.

Het aan- en afrijden van en naar de parkeergarage heeft echter wel grote consequenties voor Transvaal I. Met deze consequenties wordt nergens rekening gehouden. De verbeteringen die dit voorjaar zullen worden aangebracht om de Morsweg en omgeving enigszins leefbaar te maken worden met dit initiatief weer teniet gedaan.

 

Een tweede punt is dat een parkeergarage van de geplande omvang en grootte, pal voor de historische plek bij de Morspoort, een smet zal zijn op de prachtige entree van onze oude binnenstad.

De meerwaarde van de stad Leiden is juist de rijke historie en de vele monumenten die daaraan herinneren. Het is onbegrijpelijk dat het stadsbestuur hiervoor zo weinig gevoel toont door juist op deze plaats een parkeergarage te plannen.

 

Meke Bootsma

Voorzitter WTL

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail

Advies Referendumkamer Kadernota Bereikbaarheid (22 mei 2009)

Referendumkamer

Secretariaat: Breestraat 70, 2312 CS Leiden, telefoon 071 – 5165111

 


Aan de raad van de gemeente Leiden

 

 

Leiden, 22 mei 2009

 

 

 

 


Onderwerp: advies over referendumverzoek inzake Kadernota Bereikbaarheid

 

 

 


Geachte raad,

 

 


Conform artikel 9, lid 3, van de Referendumverordening 2008 brengen wij u hierbij ons advies uit naar aanleiding van het op 18 mei 2009 ingediende inleidende referendumverzoek inzake het raadsvoorstel met betrekking tot de Kadernota Bereikbaarheid (RV 09.0039). Het presidium heeft ons bij brief van 18 mei formeel geïnformeerd over het ingediende verzoek en verzocht om daarover advies uit te brengen.

 

Het referendumverzoek is ingediend door de heren R. Schuring, H. Nieuwint, J. van Meijgaarden en C. Arnoldus en mevrouw W. Spies. Het ging vergezeld van een aantal handtekeninglijsten. Met verwijzing naar artikel 9, lid 4, van de verordening heeft de griffier het college verzocht om te onderzoeken of het verzoek is voorzien van een voldoende aantal handtekeningen. Inmiddels is uit een onderzoek van het bureau Verkiezingen van de afdeling Burgerzaken gebleken dat op basis van een steekproef mag wor­den aangenomen dat het aantal rechtsgeldig geplaatste handtekeningen voldoende is. Door het presi­dium zult u hierover nader worden geïnformeerd.

 

De voorbereiding van de advisering

 

Artikel 9, lid 3, van de verordening bepaalt onder andere dat indien het college of een of meer leden van de raad van mening zijn dat een inleidend verzoek niet behoort te worden ingewilligd, zij de referendum­kamer hiervan tijdig in kennis moeten stellen. Voorafgaand aan het uitbrengen van het advies stelt de referendumkamer de meest betrokkenen in de gelegenheid hun opvattingen hierover nader toe te lich­ten.

In verband hiermee hebben wij, vooruitlopend op de te verwachten indiening van het referendumver­zoek, het college en de fractievoorzitters bij brief van 13 mei geïnformeerd over de procedure die ons voor ogen stond. Wij verzochten hen om, wanneer zij van mening zouden zijn dat het referendumver­zoek niet behoort te worden ingewilligd, dit zo spoedig mogelijk aan de secretaris van de referendum­kamer door te geven. Verder deelden wij in die brief mee dat wij leden van de raad en vertegenwoor­digers van het college in de gelegenheid zouden stellen om hun opvattingen tijdens onze vergadering op woensdagavond 20 mei toe te lichten. De indieners van het referendumverzoek hebben wij bij brief van 18 mei eveneens uitgenodigd voor deze vergadering.

 

Ontvangen reacties

 

Voorafgaand aan onze vergadering op 20 mei hebben wij de volgende zes reacties ontvangen.

 

1.    De PvdA-fractie deelde bij brief van 19 mei mee dat zij van mening is dat het referendumverzoek niet moet worden ingewilligd omdat (1) er al een referendum heeft plaatsgevonden over de RGL, die een essentieel onderdeel is van de Kadernota Bereikbaarheid en (2) voor een aantal essentiële projecten uit de nota de primaire verantwoordelijkheid bij de provincie Zuid-Holland ligt en die pro­jecten ook fysiek een bovenlokaal karakter hebben. Verwezen werd naar de artikelen 3, lid 2, onder g en 9, lid 6 van de verordening.
Daarnaast deelde de PvdA-fractie onder verwijzing naar artikel 9 lid 6 mee dat zij niet bereid is te handelen conform een eventuele negatieve uitslag van het referendum omdat de nota een middel is om op korte termijn iets te doen aan de huidige slechte bereikbaarheid van de stad.

 

2.    De fractie van GroenLinks schreef in een brief van 19 mei dat ook zij van mening is dat het referendumverzoek niet behoort te worden ingewilligd. Het verbeteren van de bereikbaarheid van Leiden is een probleem waarvoor nu oplossingen aangedragen moeten worden. De kadernota is tot stand gekomen na zorgvuldige inspraak. Daarbij zijn reacties van de Leidse bevolking verwerkt. Verder bevat de kadernota besluiten die al door de raad zijn genomen en bovenlokaal zijn. Het zou niet juist zijn om te doen alsof deze besluiten kunnen worden teruggedraaid via een referendum. De GroenLinks-fractie verwees naar dezelfde artikelen van de verordening als de PvdA.

 

3.    Ook de CDA-fractie keerde zich in een brief van 19 mei tegen het referendumverzoek. Daarbij werden in hoofdzaak dezelfde redenen aangevoerd als in de reacties van PvdA en GroenLinks. Daaraan werd toegevoegd dat vrijwel alle voorstellen uit de kadernota direct te herleiden zijn tot het verkiezingsprogramma van het CDA en dat de fractie daarom bij een eventuele negatieve uitslag geen kans ziet om die uitslag over te nemen.

 

4.    De voorzitter van de VVD-fractie deelde op 20 mei mee dat zijn fractie geen behoefte heeft aan een referendum over de kadernota, en dat hij in de plenaire raad een nadere toelichting op deze mededeling zal geven. De beweegredenen van zijn fractie horen zijns inziens thuis in het politieke debat.

 

5.    Burgemeester en wethouders van Leiderdorp duidden in een brief van 19 mei het referendumver­zoek aan als “een verzoek tot referendum over de Ringweg Oost”. Zij achten de Ringweg Oost een bovenlokaal vraagstuk omdat het beoogde tracé ook over Leiderdorps grondgebied loopt. Zij verzochten daarom het referendumverzoek om reden van bovenlokaal belang af te wijzen.

 

6.    Burgemeester en wethouders van Leiden deelden in een brief van 20 mei mee dat zij van mening zijn dat het referendumverzoek niet behoort te worden ingewilligd en dat wethouder Steegh dit standpunt tijdens onze vergadering nader zou toelichten.

 

De inbreng tijdens de vergadering

 

Tijdens onze vergadering op 20 mei waren van de kant van de initiatiefnemers de heren Arnoldus, Schuring, Van der Meer en Van Meijgaarden en mevrouw Zeevat aanwezig. Het college werd vertegen­woordigd door wethouder Steegh en mevrouw Castelein. Verder waren mevrouw Clement (CU) en mevrouw ’t Hart (D66) aanwezig.

 

De initiatiefnemers zeiden dat de nota een samenhangende visie mist, onevenwichtig is, te weinig reke­ning houdt met de randgemeenten, geen oplossingen biedt voor de werkelijke problemen, te veel ge­richt is op de binnenstad en te weinig op de andere wijken, en onvoldoende op wijkniveau is uitgewerkt. Zij gaven aan dat zij zich ervan bewust zijn dat de raad over de RGL en de Ringweg Oost al besluiten genomen heeft en dat daarover nu geen referendum mogelijk is, en dat de Rijnlandroute een bovenlokaal karakter heeft. Het gaat hun echter over de uitwerking van dergelijke projecten. De bevolking moet kunnen zeggen of de consequenties aanvaardbaar zijn.

 

Wethouder Steegh betoogde namens het college dat een referendum over de kadernota ongewenst is vanwege het overwegend bovenlokale karakter van veel bouwstenen van de nota, vanwege het samen­hangende maar ook ongelijksoortige karakter van veel bouwstenen en vanwege de onmogelijkheid om aan een negatieve uitslag uitvoering te kunnen geven. De raad heeft al besluiten genomen over de RGL, die overigens afweken van de uitslag van het eerdere referendum, en over de Ringweg Oost, waarbij is vastgesteld dat dit onderwerp niet referendabel is.

Desgevraagd zei de wethouder dat de afzonderlijke projecten uit de nota waarover niet eerder besluit­vorming heeft plaatsgevonden naar zijn mening te zijner tijd wel referendabel kunnen zijn.

 

Mevrouw Clement pleitte ervoor dat als er een referendum wordt gehouden, daar een duidelijke vraag­stelling aan verbonden wordt.

 

Mevrouw ’t Hart achtte het bezwaar dat veel onderdelen van de nota een bovenlokaal karakter hebben niet doorslaggevend. Het zou mogelijk moeten zijn om een referendum over de nota te houden, mits de samenhang voldoende duidelijk is.

 

Beoordeling door de referendumkamer

 

De objectieve criteria voor de beoordeling van een referendumverzoek zijn neergelegd in artikel 3 van de Referen­dumverordening. Artikel 9, zesde lid, bevat enkele toetsingsgronden met een meer subjectief karakter. Wij beoordelen hierna het referendumverzoek aan de hand van beide soorten criteria.

 

De criteria van artikel 3

 

Het eerste lid van artikel 3 van de verordening bepaalt dat alleen conceptraadsbesluiten onderwerp kunnen zijn van een referendum. In het tweede lid wordt een aantal soorten conceptbesluiten genoemd die daarvoor niet in aanmerking kunnen komen. Twee daarvan verdienen hier de aandacht.

 

Volgens lid 2 sub a kunnen geen onderwerp van een referendum zijn “besluiten over voorstellen, gericht op het voor kennisgeving aannemen van nota’s, rapporten en dergelijke“.

In het raadsvoorstel wordt voorgesteld “1. de Kadernota Bereikbaarheid vast te stellen met de volgende hoofdlijnen” (gevolgd door beleidspunten op het terrein van verkeerscirculatie, parkeren, milieu, ver­keersveiligheid, openbaar vervoer en fiets) en “2. kennis te nemen van de hieronder genoemde randvoorwaarden waarbinnen er voldoende perspectief op een verantwoorde financiële dekking bestaat voor de hoofdlijnen van parkeerbeleid”.

Dit betekent dat het genoemde artikellid zich niet verzet tegen een referendum over onderdeel 1 van het raadsvoorstel. Daarin wordt immers niet voorgesteld om iets voor kennisgeving aan te nemen, maar om richtinggevend beleid vast te stellen. Onderdeel 2 leent zich daarentegen niet voor een referendum. In een dergelijke situatie achten wij het in principe mogelijk om een conceptbesluit te splitsen in een deel dat wel en een deel dat niet aan een referendum wordt onderworpen.

 

Volgens lid 2 sub g kunnen geen onderwerp van een referendum zijn “besluiten die dienen ter uitvoe­ring van besluiten waarover al eerder een referendum ingevolge deze verordening heeft plaatsgevon­den of met betrekking waartoe de mogelijkheid heeft bestaan tot het indienen van een daartoe strekkend verzoek zonder dat daarvan gebruik is gemaakt“.

De fracties van PvdA, GroenLinks en CDA hebben erop gewezen dat er over de RGL al een referen­dum heeft plaatsgevonden. Dit achten wij echter geen doorslaggevend argument tegen een referendum over dit raadsvoorstel. In onderdeel 1 van het raadsvoorstel, dat het enige deel is dat voor een referen­dum in aanmerking kan komen, wordt de RGL namelijk niet genoemd. De beleidsvoornemens die daar worden genoemd hebben betrekking op een groot aantal andere onderwerpen.

 

De criteria van artikel 9, lid 6

 

In het zesde lid van artikel 9 wordt allereerst bevestigd dat het verzoek moet worden afgewezen indien een referendumverzoek betrekking heeft op een onderwerp dat in artikel 3 wordt uitgesloten.

Bij de wijziging van de verordening in 2008 is de andere afwijzingsgrond uit de oorspronkelijke tekst, “een andere dringende reden”‘ vervangen door een uitgebreidere passage: “De raad kan het verzoek eveneens, met redenen omkleed, afwijzen indien het verzoek betrekking heeft op een onderwerp waarvoor de primaire verantwoordelijkheid bij een andere overheid ligt, dat een bovenlokaal karakter heeft, of waarbij de raad vaststelt dat hij onvoldoende mogelijkheden ziet, dan wel niet bereid is, om te handelen conform een van de mogelijke uitslagen van het referendum.

Hierna gaan wij in op de drie elementen die worden genoemd in de laatstgenoemde zin.

 

a. Primaire verantwoordelijkheid bij een andere overheid

Dat andere overheden betrokken zijn bij een aantal van de in het conceptbesluit genoemde beleidsvoor­nemens, kan niet worden ontkend. De primaire verantwoordelijkheid voor de kadernota als geheel ligt echter duidelijk bij het gemeentebestuur van Leiden. Het Leidse college stelt in het raadsvoorstel aan de Leidse gemeenteraad voor om de in het conceptbesluit genoemde beleidsvoornemens vast te stel­len. Dat onderstreept dat de primaire verantwoordelijkheid niet elders, maar bij de gemeente Leiden ligt.

 

b. Bovenlokaal karakter

Verkeersbeleid heeft altijd raakvlakken met wat er elders gebeurt. Dat is ook merkbaar in de kadernota en in het conceptbesluit. Er wordt daarin ingegaan op een aantal ontwikkelingen die zich mede afspelen op het grondgebied van andere gemeenten. Dit neemt niet weg dat de nota en het besluit een bij uitstek Leids karakter hebben: er wordt, uitgaande van de in de nota genoemde interne en externe ontwikkelin­gen, beschreven met welk beleid en welke maatregelen in Leiden de verkeerscirculatie, het parkeren, het milieu, de verkeersveiligheid en het gebruik van het openbaar vervoer en de fiets in Leiden het meest gediend zijn.

 

c. Onvoldoende mogelijkheden of ontbreken van bereidheid bij de raad om te handelen conform een van de mogelijke uitslagen van het referendum

In tegenstelling tot de vorige elementen heeft de beoordeling hiervan een bij uitstek politiek karakter. Het is aan de raad om hierover een beslissing te nemen.

 

Aanvullende overwegingen

 

In aanvulling op de hierboven genoemde criteria die vermeld zijn in de verordening zoals die op dit mo­ment luidt, vragen wij uw aandacht voor de volgende overwegingen die ons doen aarzelen over de wen­selijkheid van een referendum over het onderwerp dat nu aan de orde is, maar die in de verordening niet expliciet als afwijzingsgrond worden genoemd.

 

In de eerste plaats: ondanks het feit dat de kadernota door het college gepresenteerd wordt als een samenhangend geheel, is het voor de wat minder direct betrokkenen moeilijk om de gestelde samen­hang tussen het grote aantal verschillende onderdelen van het conceptraadsbesluit te ontdekken. Het is ons ook opgevallen dat de initiatiefnemers tijdens onze vergadering niet goed konden aangeven wat nu de kern van het meningsverschil is. Dat maakt het bijzonder lastig om aan het gevraagde referendum een referendumvraag te koppelen die recht doet aan het raadsvoorstel waaraan het verbonden zou moeten zijn. Een referendumvraag als “Bent u voor of tegen het raadsvoorstel om de Kadernota Bereikbaarheid vast te stellen?” is niet geschikt wanneer niet in een redelijk kort bestek duidelijk kan worden gemaakt wat dat voorstel inhoudt.

Een referendum heeft vooral waarde wanneer de kiezers ja of nee kunnen zeggen tegen een goed aan te duiden voorstel. Bij een onderwerp als dit, waarbij het voorstel waarover het referendum wordt ge­vraagd bestaat uit een grote bundel beleidsvoornemens, is dat niet goed mogelijk.

Zoals wethouder Steegh al opmerkte, zou na eventuele afwijzing van dit referendumverzoek te zijner tijd wel een referendum kunnen worden gehouden over afzonderlijke projecten uit de nota waarover niet eerder besluitvorming heeft plaatsgevonden.

 

In de tweede plaats: dat de nota door velen niet wordt gezien als één samen­hangend pakket, wordt geïllustreerd door de verschillende versies van de handtekeninglijsten die door de initiatiefnemers gebruikt zijn voor het inzamelen van de handtekeningen.

Bovenaan een van die versies staat: “Ik ben voor een bereikbaar Leiden, maar ik ben tegen een of meerdere van de onderstaande maatregelen die voorgesteld worden in de Kadernota Bereikbaarheid.” Daarna worden onder andere genoemd de komst van de Ringweg Oost, de RijnGouweLijn over de Hooigracht/Langegracht, de tijdelijke parkeergarage bij de Morsweg, een bovengrondse Rijnlandroute, en de bereikbaarheid en toegankelijkheid van het Waardeiland. In de Zeeheldenbuurt werd daarente­gen de nadruk gelegd op de bereikbaarheid van de Zijlsingel wanneer daar eenrichtingverkeer wordt ingevoerd. In Pancras-West was de strekking van de lijsten vooral dat de problemen van de Breestraat niet naar de Hooigracht mogen worden verschoven en dat Pancras-West bereikbaar moet blijven.

 

Evaluerende kanttekeningen

 

Ieder referendumverzoek en ieder referendum levert ervaringen op die van belang zijn bij volgende besprekingen van de vraag of de verordening verder kan worden verbeterd. Naar aanleiding van dit referendumverzoek signaleren wij de volgende aandachtspunten.

 

Ten eerste: zoals wij hiervoor al opmerkten kunnen de door ons genoemde aanvullende overwegingen volgens de huidige verordening niet als afwijzingsgronden gelden. Dit kan worden beschouwd als een nadelig gevolg van het feit dat bij de vaststelling van de Referendumverordening 2008 het oorspronke­lijke begrip “andere dringende redenen” is vervangen door de huidige langere tekst die is opgenomen in artikel 9, lid 6. De oorspronkelijke tekst bood meer mogelijkheden om te kunnen reageren op aspecten van referendumverzoeken die bij de vaststelling van de verordening niet waren voorzien.

 

Ten tweede: wij vinden het ongewenst als de handtekeninglijsten ter ondersteuning van een inleidend verzoek onder heel verschillende noemers aan potentiële ondertekenaars worden gepresenteerd. In de verordening is hierover nu niets geregeld. Overwogen zou moeten worden om daarover wel iets vast te leggen.

 

 

Samenvatting en conclusies

 

·           Naar onze mening verzet artikel 3 van de verordening zich niet tegen honorering van het inleidend referendumverzoek, mits het onderwerp van het referendum beperkt blijft tot onderdeel 1 van het raadsvoorstel.

 

·           De eerste twee elementen van de tweede zin van artikel 9, lid 6 (primaire verantwoordelijkheid bij een andere overheid of bovenlokaal karakter) bieden naar onze mening evenmin een grondslag voor afwijzing van het verzoek.

 

·           Over de vraag of het verzoek moet worden afgewezen wanneer de raad onvoldoende mogelijk­heden ziet, dan wel niet bereid is, om te handelen conform een van de mogelijke uitslagen van het referendum, zal de raad zelf een beslissing moeten nemen.

 

·           Overigens leent het onderwerp van het raadsvoorstel zich naar onze mening niet goed voor een referendum omdat er niet duidelijk sprake is van één goed aan te duiden voorstel.

 

 

Hoogachtend,

 

De referendumkamer van de gemeente Leiden,

 

 

 

 

F.D.M.M. Osinga , secretaris                                                       L. Beijen, voorzitter

 

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail

Bewonersbrief kapvergunning

Geachte bewoners,

We hebben 85 (!) zienswijzen van u ontvangen en bij de gemeente afgeleverd.
De indieners krijgen allemaal een schriftelijk bewijs van ontvangst door de gemeente toegestuurd.
Heel hartelijk dank voor uw steun!

De gemeente Leiden is van plan op het Morspoortterrein 36 bomen te kappen  om ruimte te maken voor een parkeergarage.  Daarmee verdwijnt weer erg veel groen uit de wijk en gaat de leefbaarheid nog verder achteruit. Bovendien denken wij dat een parkeergarage de parkeerproblemen niet oplost.  Daar zijn andere oplossingen voor. Daarmee  gaan wij onderhandelen met de gemeente. Als de bomen eenmaal gekapt zijn komen ze nooit meer terug. Lees meer

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail

Zienswijze kapvergunning Morspoortterrein (26 november 2009)

Zienswijze tegen het voornemen om bomen te kappen op het terrein tegenover de Morspoort in Leiden.

Aan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden
Postbus 9100
2300 PC Leiden

Onderwerp: kapvergunningsaanvraag door de gemeente Leiden van 36 bomen, waarvan 7 populieren en 29 andere soorten bomen op locatie Morsweg/Morssingel/Bloemfonteinstraat.

Geacht college,

In de Stadskrant van 13 november 2009 maakt u uw voornemen bekend tot het verlenen van een kapvergunning aan de gemeente Leiden  voor de kap van 7 populieren en 29 andere soorten op bovengenoemde locatie.Hierbij maak ik (ondergetekende) mijn zienswijze kenbaar over dit voornemen.

Een aantal argumenten ligt aan deze zienswijze ten grondslag. Deze komen hieronder puntsgewijs aan de orde:

– Kap van deze bomen betekenen een verdere aantasting van het leefmilieu in de wijk dat door de aanwezigheid van het zeer drukke verkeer op de Morsweg al zeer slecht is.

– Door verslechtering van het leefmilieu en het woonklimaat als gevolg van de kap van zo veel bomen in combinatie met de bouw van een parkeergarage zal de waarde van mijn huis sterk dalen.

– De bomen hebben veel waarde voor het aangezicht van de Morspoort als stadsentree.

– De bomen zorgen voor een prettige leefomgeving voor de bewoners in een wijk waar al veel groen is verdwenen.

– Ik heb begrepen dat alleen eigenaren een kapvergunning mogen aanvragen. Voor zover ik weet is de gemeente van een aantal bomen niet de eigenaar.

– Ik maak mij grote zorgen over de luchtkwaliteit en leefbaarheid in de wijk. Onlangs nog zijn er bomen gekapt op de Morsweg en nu deze 36. Enkele jaren terug zijn op de aanliggende vijverlocatie alle bomen gekapt. Er blijft zo geen groen meer over.

– De bomen moeten gekapt worden om plaats te maken voor een parkeergarage. Maar daar is nog geen bouwvergunning voor afgegeven. U moet op z’n minst wachten met kappen totdat er een bouwvergunning is.

Op basis van de bovenstaande argumenten maak ik bezwaar tegen het verlenen van betreffende kapvergunning aan de gemeente Leiden. Ik hoop dat u afziet van vergunningverlening. Ik ga ervan uit dat u mij van de verdere procedure op de hoogte houdt.

Hoogachtend,

Naam:…………………………………………………………

Straat:…………………………………………………………

Postcode en plaats:………………………………………

Handtekening:………………………………………………

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail

Wijkvereniging Transvaal tegen grootschalige kap van bomen Morsweg

Alternatieve locatie voor parkeergarage door wethouder van tafel geveegd, Al jaren strijdt de wijkvereniging Transvaal tegen het plan voor een bovengrondse parkeergarage aan de Morsweg. Hiervoor moet een prachtig stadsbos wijken. De wethouder weigert echter het aangedragen alternatief bij het voormalig belastingkantoor te onderzoeken. De wijkvereniging richt zich nu tot de gemeenteraadsleden in de hoop dat zij de bezwaren serieus zullen nemen. Lees meer

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail

Statuten

Naam en zetel

Artikel 1

1. De vereniging draagt de naam: “Wijkvereniging Transvaal Leiden”.

2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Leiden.

Doel

Artikel 2

1. Het doel van de vereniging is het vergroten casu quo het verhogen van de leefbaarheid en het welzijn binnen de wijk Transvaal ten behoeve van haar bewoners, een en ander in de ruimste zins des woords.

2. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door:

a.het motiveren en enthousiasmeren van de bewoners van de Wijk tot verwezenlijking van vorenomschreven doel, alsook het stimuleren van eigen-initiatief en zelfwerkzaamheid dienaangaande, zulks onder meer door het organiseren van bijeenkomsten;

b.het voeren van overleg met derden over onderwerpen die van belang zijn voor de bewoners van de wijk;

c.het instellen en instandhouden van werkgroepen, welke tot gemeld doel bevorderlijk kunnen zijn

Duur

Artikel 3

1. De vereniging is aangegaan voor onbepaalde tijd.

2. Het boekjaar van de vereniging is het kalenderjaar, met dien verstande dat het eerste boekjaar aanvangt bij de oprichting.

Lidmaatschap

Artikel 4

1. De vereniging kent leden

2. Leden zijn zij die zich schriftelijk als lid bij het bestuur hebben aangemeld en door het bestuur als lid zijn toegelaten. Hiervan blijkt uit een door het bestuur afgegeven verklaring

Ingeval van niet-toelating door het bestuur kan de algemene ledenvergade­ring alsnog tot toelating besluiten

3. Het lidmaatschap is persoonlijk en kan niet worden overgedragen of door erfopvolging worden verkregen

Artikel 5

1. Het lidmaatschap eindigt:

a. door de dood van het lid;

b. door opzegging door het lid;

c. door opzegging door de vereniging;

d. door ontzetting:

2. Opzegging van het lidmaatschap door het lid kan slechts geschieden tegen het einde van een boekjaar. Zij geschiedt schriftelijk aan het bestuur met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste vier weken.

Indien een opzegging niet tijdig heeft plaatsgevonden, loopt het lidmaat­schap door tot het einde van het eerstvolgende boekjaar.

Het lidmaatschap eindigt onmiddellijk:

a. indien redelijkerwijs van het lid niet gevergd kan worden het lidmaat­schap te laten voortduren;

b. binnen een maand nadat een besluit waarbij de rechten van de leden zijn beperkt of hun verplichtingen zijn verzwaard, aan een lid bekend is geworden of medegedeeld tenzij het betreft een wijziging van de geldelijke rechten en verplichtingen;

c. binnen een maand nadat een lid een besluit is meegedeeld tot omzet­ting van de vereniging in een andere rechtsvorm of tot fusie.

3. Opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging kan tegen het einde van het lopende boekjaar door het bestuur worden gedaan:

-wanneer een lid na daartoe bij herhaling schriftelijk te zijn aangemaand op één november niet volledig aan zijn geldelijke verplichtingen jegens de vereniging over het lopende boekjaar heeft voldaan;

-wanneer het lid heeft opgehouden te voldoen aan de vereisten die op dat moment door de statuten voor het lidmaatschap worden gesteld.

De opzeggingstermijn is ten minste vier weken.

Indien een opzegging niet tijdig heeft plaatsgevonden, loopt het lidmaat­schap door tot het einde van het eerstvolgende boekjaar.

De opzegging kan evenwel onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg hebben, wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet kan wor­den gevergd het lidmaatschap te laten voortduren

De opzegging geschiedt steeds schriftelijk met opgave van de redenen.

4. Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken walmeer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereni­ging handelt of wanneer het lid de vereniging op onredelijke wijze bena­deelt. Zij geschiedt door het bestuur, dat het lid zo spoedig mogelijk van het besluit in kennis stelt, met opgave van de redenen. Het betrokken lid is bevoegd binnen één maand na de ontvangst van de kennisgeving in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering.

Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. Een geschorst lid heeft geen stemrecht

5. Wanneer het lidmaatschap in de loop van een boekjaar eindigt, blijft de jaarlijkse bijdrage voor het geheel door het lid verschuldigd, tenzij het bestuur anders beslist.

Donateur

Artikel 6

1. Donateurs zijn zij, die door het bestuur als donateur zijn toegelaten. Het bestuur is bevoegd het donateurschap door schriftelijke opzegging te beëindigen

2. Donateurs zijn verplicht jaarlijks aan de vereniging een geldelijke bijdrage te verlenen, waarvan de minimale omvang door de algemene ledenverga­dering wordt vastgesteld.

3. Donateurs hebben uitsluitend het recht om de algemene ledenvergadering bij te wonen. Zij hebben daarin geen stemrecht, maar wel het recht om het woord te voeren.

Contributies

Artikel 7

Ieder lid is jaarlijks een contributie verschuldigd. De hoogte van de contribu­tie wordt vastgesteld door de algemene ledenvergadering.

Het bestuur is bevoegd aan de daarvoor in aanmerking komende leden onthef­fing te verlenen voor het betalen van contributie.

Bestuur

Artikel 8

1. Het bestuur bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven natuurlijke personen, die uit hun midden een voorzitter, een secretaris en een pen­ningmeester aanwijzen.

2. De bestuursleden worden door de algemene ledenvergadering benoemd uit de leden van de vereniging.­

De algemene ledenvergadering stelt het aantal bestuursleden vast.

3. Bestuursleden kunnen te allen tijde onder opgaaf van redenen door de algemene ledenvergadering worden geschorst en ontslagen. De algemene ledenvergadering besluit tot schorsing of ontslag met een meerderheid van twee/derde van de uitgebrachte stemmen.

4. De schorsing eindigt wanneer de algemene ledenvergadering niet binnen drie maanden daarna tot ontslag heeft besloten. Het geschorste bestuurslid wordt in de gelegenheid gesteld zich in de algemene ledenvergadering te verantwoorden en kan zich daarbij door een raadsman doen bijstaan.

5. Bestuursleden worden benoemd voor een periode van maximaal twee jaar. Onder een jaar wordt te dezen verstaan de periode tussen twee opeenvol­gende jaarlijkse algemene ledenvergaderingen. De bestuursleden treden af

volgens een door het bestuur op te maken rooster. Een volgens het rooster aftredend bestuurslid is onmiddellijk herbenoembaar.

6. Indien het aantal bestuursleden beneden het in lid 1 vermelde minimum is gedaald, blijft het bestuur niettemin bevoegd. Het bestuur is verplicht zo spoedig mogelijk een algemene ledenvergadering te beleggen, waarin de voorziening in de vacature(s) aan de orde komt

7. Op de vergaderingen en de besluitvorming van het bestuur is het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 14 zoveel mogelijk van toepassing.

Artikel 9

1. Het bestuur is belast met het besturen van de vereniging.

2. Het bestuur is, met voorafgaande goedkeuring van de algemene ledenver­gadering, bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de vereniging zich als borg of hoof­delijk mede schuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt.

3. Door het bestuur kunnen commissies worden benoemd, teneinde haar bij te staan bij de uitvoering van haar bevoegdheden. De aan de eventuele commissies toe te kennen bevoegdheden zullen nader worden vastgesteld bij huishoudelijk reglement.

Artikel 10

1. Het bestuur vertegenwoordigt de vereniging.

2. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan de voorzitter tezamen met de secretaris of de penningmeester, dan wel de secretaris tezamen met de penningmeester.

Algemene ledenvergaderingen

Artikel 11

De algemene ledenvergaderingen worden gehouden in de gemeente waar de vereniging statutair is gevestigd.

 

Artikel 12

1. Toegang tot de algemene ledenvergadering hebben de leden die niet ge­schorst zijn, de donateurs alsmede degenen, die daartoe door het bestuur en/of de algemene ledenvergadering zijn uitgenodigd.

Een geschorst lid heeft toegang tot de vergadering waarin het besluit tot zijn schorsing wordt behandeld, en is bevoegd daarover dan het woord te voeren.

2. Met uitzondering van een geschorst lid heeft ieder lid één stern in de algemene ledenvergadering. Ieder stemgerechtigd lid kan aan een andere stemgerechtigde schriftelijk volmacht verlenen tot het uitbrengen van zijn stern. Een stemgerechtigde kan voor ten hoogste twee personen als gevol­machtigde optreden.

3. Een eenstemmig besluit van alle stemgerechtigde leden, ook al zijn zij niet in vergadering bijeen, heeft, mits met voorkennis van het bestuur geno­men, dezelfde kracht als een besluit van de algemene ledenvergadering. Dit besluit kan ook schriftelijk tot stand komen.

4. De voorzitter bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de algemene ledenvergadering worden gehouden.-

5. Alle besluiten waaromtrent bij de wet of bij deze statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven, worden genomen bij volstrekte meerder­heid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen over zaken is het voorstel verworpen. Staken de stemmen bij verkiezing van personen, dan beslist het lot. Indien bij verkiezing tussen meer dan twee personen door niemand een volstrekte meerderheid is verkregen, wordt herstemd tussen de twee personen, die het grootste aantal stemmen kregen, zo nodig na tussenstemming.

Artikel 13

1. De algemene ledenvergaderingen worden geleid door de voorzitter of, bij diens afwezigheid, door een aanwezig bestuurslid, voor zover deze binnen de vereniging niet is belast met de functie van secretaris.

Zijn geen bestuursleden aanwezig, dan voorziet de vergadering zelf in haar leiding,

2. Het door de voorzitter ter algemene ledenvergadering uitgesproken oor­deel omtrent de uitslag van een stemming, is beslissend.

Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel.

Wordt echter onmiddellijk na het uitspreken van het oordeel van de voor­zitter de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, indien de meerderheid van de vergadering of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt,

Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspron­kelijke stemming

3. Van het ter algemene ledenvergadering verhandelde worden notulen ge­houden door de secretaris of door een door de voorzitter aangewezen persoon.

Deze notulen worden in dezelfde of in de eerstvolgende algemene leden­vergadering vastgesteld en ten blijke daarvan door de voorzitter en de secretaris van die vergadering ondertekend.

Artikel l4

1. Het boekjaar van de vereniging is gelijk aan het kalenderjaar.

Jaarlijks wordt ten minste één algemene ledenvergadering gehouden en wel binnen zes maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene ledenvergadering. In deze algemene ledenvergadering brengt het bestuur zijn jaarverslag uit over de gang van zaken in de vereniging en over het gevoerde beleid. Het legt de balans en de staat van baten en lasten met een toelichting ter goedkeuring aan de algemene ledenvergadering over.

Deze stukken worden ondertekend door de bestuursleden; ontbreekt de ondertekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt. Na verloop van de termijn kan ieder lid in rechte vorderen van de gezamenlijke bestuurders dat zij deze verplichtin­gen nakomen.

2. Wordt omtrent de getrouwheid van de stukken bedoeld in het vorige lid aan de algemene ledenvergadering niet overgelegd een verklaring afkom­stig van een accountant als bedoeld in artikel 2: 393 lid 1 van het Burger­lijk Wetboek, dan benoemt de algemene ledenvergadering, jaarlijks, een commissie van ten minste twee leden die geen deel van het bestuur mogen uitmaken.

3. Het bestuur is verplicht aan de commissie ten behoeve van haar onderzoek alle door haar gevraagde inlichtingen te verschaffen, haar desgewenst de kas en de waarden te tonen en inzage in de boeken en bescheiden van de vereniging te geven.

4. De commissie onderzoekt de in lid 1 en lid 3 bedoelde stukken.

5. Vergt dit onderzoek naar het oordeel van de commissie bijzondere boek­houdkundige kennis, dan kan zij zich op kosten van de vereniging door een deskundige doen bijstaan. De commissie brengt aan de algemene ledenvergadering verslag van haar bevindingen uit.

Artikel 15

1. Algemene ledenvergaderingen worden door het bestuur bijeengeroepen zo dikwijls het dit wenselijk oordeelt of daartoe op grond van de wet ver­plicht is:

2. Op schriftelijk verzoek van ten minste één/tiende gedeelte van de stemge­rechtigde leden is het bestuur verplicht tot het bijeenroepen van een alge­mene ledenvergadering, te houden binnen vier weken na indiening van het verzoek:

Indien aan het verzoek binnen veertien dagen geen gevolg wordt gegeven, kunnen de verzoekers zelf tot de bijeenroeping van de algemene ledenver­gadering overgaan op de wijze als in lid 3 bepaald of door middel van een advertentie in ten minste één in Leiden veel gelezen dagblad. De verzoe­kers kunnen alsdan anderen dan bestuursleden belasten met de leiding van de vergadering en het opstellen van de notulen.

3. De bijeenroeping van de algemene ledenvergadering geschiedt door schrif­telijk mededeling aan de stemgerechtigden op een termijn van ten minste zeven dagen

Bij de oproeping worden de te behandelen onderwerpen vermeld.

Statutenwijziging

Artikel 16

1. Wijziging van de statuten kan slechts plaatshebben door een besluit van de algemene ledenvergadering, waartoe is opgeroepen met de mededeling dat aldaar wijziging van de statuten zal worden voorgesteld.

2. Zij, die de oproeping tot de algemene ledenvergadering ter behandeling van een voorstel tot statutenwijziging hebben gedaan, moeten ten minste vijf dagen voor de dag van de vergadering een afschrift van dat voorstel, waarin de voorgestelde wijziging woordelijk is opgenomen, op een daartoe geschikte plaats voor de leden ter inzage leggen tot na de afloop van de dag, waarop de vergadering werd gehouden.

3. Tot wijziging van de statuten kan door de algemene ledenvergadering slechts worden besloten met een meerderheid van ten minste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen.

4. De statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt.

Ieder van de bestuursleden is bevoegd de akte van statutenwijziging te doen verlijden.

5. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing, indien in de alge­mene ledenvergadering alle stemgerechtigden aanwezig of vertegenwoor­digd zijn en het besluit tot statutenwijziging met algemene stemmen wordt genomen.

6. De bestuursleden zijn verplicht een authentiek afschrift van de akte van statutenwijziging en een volledige doorlopende tekst van de statuten, zoals deze na de wijziging luiden, neer te leggen ten kantore van het door de Kamer van Koophandel en Fabrieken gehouden register.

Ontbinding en vereffening

Artikel 17

1. Het bepaalde in artikel 16 leden 1, 2, 3 en 5 is van overeenkomstige toepassing op een besluit van de algemene ledenvergadering tot ontbinding van de vereniging.

2. De algemene ledenvergadering stelt bij haar in het vorige lid bedoelde besluit de bestemming vast voor het batig saldo, en wel zoveel mogelijk in overeenstemming met het doel van de vereniging.

3. De vereffening geschiedt door het bestuur.

4. Na de ontbinding blijft de vereniging voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van de statuten zoveel mogelijk van kracht.

In stukken en aankondigingen die van de vereniging uitgaan, moeten aan haar naam worden toegevoegd de woorden “in liquidatie”.

5. De vereffening eindigt op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn

6. De boeken en bescheiden van de ontbonden vereniging moeten worden bewaard gedurende tien jaren na afloop van de vereffening. Bewaarder is degene die door de vereffenaars als zodanig is aangewezen.

Reglementen

Artikel 18

1. De algemene ledenvergadering kan een of meer reglementen vaststellen en wijzigen, waarin onderwerpen worden geregeld waarin door deze statuten niet of niet volledig wordt voorzien.

2. Een reglement mag geen bepalingen bevatten, die strijdig zijn met de wet of met deze statuten.

3. Op besluiten tot vaststelling en tot wijziging van een reglement is het bepaalde in artikel 16 leden 1, 2 en 5 van overeenkomstige toepassing.

Slotbepaling

Artikel 19

Aan de algemene ledenvergadering komen in de vereniging alle bevoegdheden toe, die niet door de wet of de statuten aan andere organen zijn opgedragen.

 

 

 

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail

De Boerenoorlog

(1899-1902) – Verloop van de oorlog. Sinds de Jameson Raid in 1896 en de verkiezing van Sir Alfred Milner (1854-1925) als Hoge commissaris in 1897, waren de spanningen tussen de Transvaal onder leiding van Paul Kruger (1825-1904) en de Oranje Vrijstaat onder leiding van Mathinus Steijn (1857-1916) enerzijds en de Britse Kaap Kolonie en Natal anderzijds steeds verder toegenomen. De spanningen waren ontstaan uit het feit dat de niet-Afrikaanse Europese inwoners van de staten Transvaal en Oranje Vrijstaat veel minder rechten bezaten dan de Afrikaners zelf. Lees meer

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail

Transvaal war” 1880-1881

De eerste boerenoorlog was het gevolg van de in bezit neming van de Transvaalse Republiek door Groot-Brittannië in 1877. De boeren probeerden dit nog ongedaan te maken maar helaas mislukte dat. Ne deze poging werden de Britse troepenconcentraties in Pretoria en Potchefstroom belegerd. En de garnizoenen die vanuit Lydenbug en uit Natal ontboden waren om het Britse gezag te handhaven, werden verslagen in gevechten bij Bronkhorstspruit, Laingsnek, Ungogo en Majuba. Na de laatstgenoemde slag op 27 februari 1991 waarbij de Britse bevelvoerder en gouverneur van Natal sneuvelde, werd de onafhankelijkheid van de republiek onder Britse soevereiniteit hersteld. Lees meer

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail
1 8 9 10 11