Het is niet zo dat ik voor het laatst een halfje bruin haalde op 29 maart, waar ik toen verslag van deed voor ons wijkorgaan. Dat wij drie maanden daarmee zouden moeten doen. Nee, twee of drie keer per week haal ik dat halfje bruin voor mijn vrouw. Maar vandaag is het weer zover dat ik een kort verslag doe van mijn wandeling, van een soort wijkschouw. Er is ook een officiële geweest maar daar heb ik geen verslag van gezien.

Ik begin bij de nieuwe ophaalbrug. Eerlijk is eerlijk, die zit er best goed uit. Strak in de verf, mooie kleuren. En het was handig om de aanvoerroute wat in te korten. Als fietser heb je er nu weinig meer aan om over de stoep naar de brug te rijden, want dan moet je een haakse bocht maken. Anders moet je met een klap de stoep af en dat is niet goed voor de fietsbanden zoals opa mij al voorhield. Opa was zuinig op zijn spulletjes en zeg eens dat dat niet verstandig is. ‘Perfect bestaat niet’, zegt mijn vrouw altijd (tot mijn verbazing), en dat klopt voor rond de ophaalbrug. Het mededelingenbord van de aannemer staat er nog steeds; de fors uitgevallen proporties van het bord zijn als reclame nog te begrijpen, als straatobject mag het weg van mij. Ik weet het nu wel. En het is fijn dat er een prullenbak is geplaatst naast het zitbankje, maar als die niet wordt geleegd, verliest hij zijn functie al snel en wordt-ie makkelijk een multiplier van vuil. Dat blijkt vandaag.

Ik steek over naar de parkeergarage en constateer tot mijn vreugde dat het daar nog redelijk ruikt. Er zijn natuurlijk de uitlaatgassen maar er wordt daar ook wild geplast door bewoners van de Binnenvest. Het was op zich een oude gewoonte in Leiden om binnen de veste buitenshuis in potten te piesen omdat urine een noodzakelijk ingrediënt was voor het vollen van laken. Maar dat was binnen de veste, en niet tegen een boom. En sinds de lakenindustrie uit Leiden verdween, is die noodzaak ook verdwenen. De rijke stadsbewoners ontvluchtten in de zomer juist de stad om ‘bij ons’ frisse lucht te halen. Ik zou zeggen: Binnenvesters, hou dat zo, doe het niet buiten de vest maar binnen de Binnenvest.

Ik loop langs de beide vuilcontainers die er staan. Die lijken voller dan vroeger. Dat komt misschien omdat er minder van zijn en een deel is vervangen door ondergrondse containers waarvoor men een pasje nodig heeft. Ik kan mij een zogenaamd ‘pervers effect’ van een goede bedoeling voorstellen. Ik zie er, bijvoorbeeld als ik erlangs loop om mijn halfje bruin te halen, auto’s stoppen en de bestuurders daar vuilniszakken deponeren. Ik weet natuurlijk niet of die auto’s van heinde en ver komen, misschien zijn het wel buurtbewoners die even met de auto langs rijden. Maar toch. Ik zou wel benieuwd zijn of die ondergrondse containers volop worden gebruikt en of de bovengrondse containers een aanzuigende werking hebben.

Ik loop door. Omdat ik graag op historische bijzonderheden mag wijzen: ga eens staan op de hoek van de Morsweg met de Paul Krugerstraat, daar waar vroeger de melkboer zijn winkel had en tegenwoordig Yildiz verse groenten en meer verkoopt. Aan de overzijde zie je nog de contouren van wat eens een tehuis voor militairen was, in 1903 gebouwd op de plaats waar het buiten ‘Oranjelust’ had gestaan. Het tehuis is inmiddels verbouwd tot, zo te zien, diverse woningen. De Krugerstraat is trouwens een stuk overzichtelijker en mooier geworden. Hulde.

Ik loop voorbij de container daar en zal niet in herhaling vallen. Hoewel: een zeemeeuw staat verwoed te pikken van voedsel dat niet in maar op de container is achtergelaten en ziet in mijn komst geen enkele reden te verdwijnen. Misschien ziet hij mijn halfje bruin. Dat doet me eraan denken: ik was laatst in Lissabon waar ook de nodige meeuwen vliegen rond de Taag, maar ik hoorde ze geen geluid maken. ‘Onze’ meeuwen krijsen, jammeren, mekkeren voortdurend, alleen of met elkaar. Je denkt eerst huilende baby’s of krolse katten te horen, maar het blijken steeds weer meeuwen. Waar komt dat verschil tussen die meeuwen vandaan? Een kwestie van karakter? Die Portugezen waren van die aardige mensen.

Even verderop, na wederom een bovengrondse container (vroeger had je straten en stegen waarin eenzelfde ambacht werd beoefend, nu lijkt de Morsweg een ‘containerkade’) en dan, aan mijn rechterhand, is er die vreemde bebouwing als begin van het industrieterreintje. Dat terreintje ziet er tegenwoordig een stuk beschaafder uit, maar dat pand. Het is niet mooi. Het gedeelte waar El&EL in huist, ziet er beter uit dan vroeger en ook het middenstuk, dat er voorheen verwaarloosd uitzag, is opgeknapt. Nu dat stenen stuk langs de Morsweg nog, de oostelijke kant van het gebouw. Dat zou fijn zijn. Overigens meen ik me te herinneren dat ik ooit een verhaal las waarin iemand vertelde dat het bedrijventerreintje in de twintiger jaren een tuinderij was waar zij als meisje had gewoond. Een mooie bestemming voor een bedrijfsterrein in de stad.

Ik steek over naar het Bloemlustplein, ook vernoemd naar een buiten. Dat daar ooit bloemen waren, is nu niet meer zo te zien. Ik krijg een idee. De gemeente plaatst van die lelijke plastieke bloembakken op de meest onmogelijke plekken, ik zag ze bijvoorbeeld bij het Gerecht waar ze de strakke structuur en schoonheid van de leilindes echt bederven; deze plek lijkt me meer geschikt. De ondergrondse container doet het prima, geen vuiltje aan de grond. Even verderop staat de studentenflat, die de toekomstige bloem der natie herbergt. Het leek even dat het beter ging dank zij de nieuwe structuur van de ingang, maar toch niet: een flinke hoeveelheid viezigheid. Je weet niet hoe het komt, maar misschien speelt een rol dat als er veel mensen zijn, niemand zich meer verantwoordelijk voelt. Dan komen er meestal regels. Nu ook, hoop ik.

Ik keer om, het wordt tijd mijn halfje bruin in de broodtrommel te stoppen.

Charonides, 29/6/2015

Door Bestuur Transvaal

Bestuur van de wijkvereniging Transvaal Leiden.